Het is een drukke dag in het gebouw van de Tweede Kamer, maar in de vleugel van de SGP heerst rust. Hier en daar staan wat groepjes Kamerleden en beleidsmedewerkers met elkaar te praten. Aan het einde van de gang spreken we Kamerlid André Flach over afvinkveiligheid, innovatiekracht en een sector die om hulp moet vragen.
Dit artikel verscheen in Pijler 26.2.
De (dis)balans tussen regelgeving, politiek en praktijk
U bent verantwoordelijk voor onder andere de portefeuille Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Binnen de maritieme en offshore maakindustrie wordt gewerkt met zware en gevaarlijke materialen en machines, op complexe plekken en aan ingewikkelde projecten. Dit brengt, soms vaker dan in andere sectoren, veiligheidsrisco’s en opleid-uitdagingen met zich mee. Het gevolg hiervan is dat er veel regels zijn, maar dat deze regels elkaar soms juist tegenspreken. Door alle regeldruk en controlelijstjes, bestaat het risico dat er een cultuur van ‘afvinkveiligheid’ ontstaat. Wat vindt u hiervan?
“Laten we vooropstellen dat mensen recht hebben op veilige werkomstandigheden. Maar in mijn optiek is dat altijd te bereiken met een combinatie van regels en gezond verstand. En die balans mis ik soms in regelgeving. Dus ik snap de frustratie. Alles wordt geprotocolleerd en omgezet naar regels, waarbij het nadenken van mensen uitgeschakeld wordt. Hoeveel regels er ook zijn, als mensen stoppen met nadenken gebeuren er ongelukken.”
U zegt dat nadenken wordt uitgeschakeld. Bedoelt u hiermee dat vakmensen minder gaan nadenken omdat ze enkel de lijstjes volgen of dat er geen vertrouwen meer is in de denkkracht van die mensen?
“Beide. Frustratie bij vakmensen komt niets ten goede. En vanuit veiligheidsinstanties lijkt het soms alsof de regels gemaakt worden door mensen die maar vanuit één punt denken: de lijstjes. Terwijl de mening van de vakmensen dan weggewuifd wordt. Dat vind ik kwalijk, want dat zijn juist de mensen die weten wat de gevaren van hun werk zijn. Iemand die niet dagelijks op een boorplatform rondloopt, weet niet wat werkbaar is op die locatie. Betrek die mensen bij de regelgeving.”
Dit is iets wat we ook zien bij bijvoorbeeld praktijkonderwijs. Leerlingen mogen bepaalde handelingen wel uitvoeren binnen de schoolmuren, maar niet op hun stage. Dit komt, kort gezegd, door verschillende regels van verschillende instanties en ministeries. Wat is volgens u de rol van de overheid in dit soort processen?
“We hebben met enige regelmaat een debat Gezond en Veilig Werken. Tijdens die debatten probeer ik, samen met wat andere partijen, iets aan deze cultuur te doen. We moeten af van schijnveiligheid. Op dat gebied hebben we best veel moties aangenomen gekregen en er komt langzaam beweging in. Dus ik vind dat de Kamer daar zeker een rol in heeft. Je bent volksvertegenwoordiger, dus de spreekt namens de mensen die de regels moeten volgen.”
Innovatiekracht als wapen
Innovaties gaan vaak sneller dan (internationale) regelgeving. Mogelijke consequenties hiervan zijn het uitvoeren van werkzaamheden op andere (meer risicovolle) locaties. Dit heeft niet alleen effect op de veiligheid, maar ook bijvoorbeeld op de snelheid van de ontwikkeling van nieuwe innovatie. Hoe kijkt u tegen deze risico’s aan?
“Nederland staat bekend als een land dat altijd vooropliep in alles wat met innovatie te maken heeft. Innovatie zit in ons DNA. Als we de innovatiekracht verliezen door een vinklijstjescultuur, dan blijft er niet zo gek veel over in Nederland. Onze arbeid is duur, we hebben geen delfstoffen, dus we moeten het hebben van onze slimmigheid. En dat kunnen we. We zijn altijd net iets handiger en net iets sneller dan de rest. Dus als we dat dooddrukken door regelgeving, raken we heel veel kwijt.”
“We zijn een wereldspeler, maar kunnen niet onderschatten hoe hard China aan het ontwikkelen is. Als je ziet wat ze daar uit de grond stampen met staatsgeld, is dat niet iets waar we tegenop kunnen. Dus we kunnen dat alleen winnen met innovatiekracht.”

U bent voorzitter geweest van Smart Delta Drechtsteden, dus u heeft de maritieme wereld in de praktijk meegemaakt. Wat neemt u uit deze periode mee in uw werk als Kamerlid?
“Gek genoeg kennen mensen de maritieme sector als een rauwe sector met vele staal, roest en ouderwetse arbeid. Ik heb geleerd dat het een hoog innovatieve sector is. Wij hebben toen echt moeten leren om een beetje trots te zijn op wat we doen. Er lag ooit een schip dwars in het Panamakanaal. Heel de wereld in paniek. Toen is Boskalis met een team vanuit Papendrecht daarnaartoe gegaan om heeft dat schip vlotgetrokken. En die mannen zeggen dan: ‘Ja, dat is wat we doen’. Terwijl de rest van de wereld met open mond staat toe te kijken. Het is goed om dat van de cultuur te weten.”
Is dat een cultuur die zou moeten veranderen om de sector verder te helpen?
“Het is een sector die hier [in Den Haag] niet zo snel op de deur klopt. Nu hebben ze dat wel gedaan, met de sectoragenda. En daarvoor hebben ze ook mensen aangetrokken die hier de weg weten, zoals Marja van Bijsterveldt en Kees van der Staaij. Dat is een slimme zet geweest. Want er is iets aan de hand. Het is een sector met arbeidskrachttekort en ruimtetekort. En nu vragen ze eindelijk duidelijk en concreet om hulp.”
Sectoragenda alleen is niet genoeg
In de Sectoragenda Maritieme Maakindustrie wordt benadrukt dat het belangrijk is om kennis en kunde in Nederland te houden. U maakt zich, in de Kamer en daarbuiten, hard voor de Sectoragenda Maritieme Maakindustrie en de algemene maakindustrie Nederland.
Vindt u dat er sinds de publicatie van de sectoragenda voldoende stappen zijn gezet om de doelen die daarin benoemd worden te behalen?
“Dat is niet zo makkelijk te beantwoorden. Ja, de term ‘maritiem’ staat in het coalitieakkoord. Maar die term is daarin verder niet geladen. Dus het komt erop aan dat straks, bij de verdeling van middelen, die term nog steeds genoemd wordt.”
“Ik zie mooie initiatieven, bijvoorbeeld in de Smart Delta Drechtsteden. Daar hebben ze een eigen innovatieprogramma opgestart. Maar ja, dat zou je als Rijksoverheid meer moeten omarmen en het liefst ook van geld voorzien. Want daar zit het verdienvermogen van de toekomst. Wij zijn enorm voorstander van bijvoorbeeld stimuleringspakketten. De laatste jaren is er te weinig ruimte voor bedrijven om, met behulp van de overheid, te innoveren.”
Waarom is die hulp van de overheid hierin belangrijk?
“Een individueel bedrijf heeft een klantvraag. En door die vraag doen ze soms aan specifieke innovatie. Maar het is belangrijk om programmatisch te innoveren voor over, zeg, tien jaar. Om dat te kunnen doen, moet je samenwerken met onderzoeksinstituten. Ik vind dat de overheid vooral met financiering zou moeten helpen. De regionale ontwikkelingsmaatschappijen zijn dan in staat om de juiste partijen bij elkaar te brengen. Ik denk dat dat een werkwijze kan zijn.”
Denkt u dat de samenwerking en de verwachtingen tussen de sector en de politiek op dit moment in balans en realistisch zijn?
“Niet helemaal. Er wordt bijvoorbeeld vanuit de Kamer vaak gedacht dat ondernemers vooral geen extra belasting willen betalen. Terwijl ik uit gesprekken en ondernemersbijeenkomsten juist hoor dat iets extra belasting geen probleem hoeft te zijn, als maar duidelijk is wat ondernemers ervoor terugkrijgen.”
“Wel zie ik dat de sector recent goed zichtbaar is en er af en toe afgevaardigden hier zijn. Maar dat is niet genoeg. Want de volgende dag staat de volgende sector hier op de deur te kloppen. En ik wil absoluut geen sectoren tegen elkaar uitspelen, want we hebben iedereen nodig. Maar het is echt noodzaak dat om jezelf voortdurend onder de aandacht te brengen. Je moet je bestaansrecht en je urgentie voor de Nederlandse economie laten zien. En zelf vertellen waar de problemen zitten.”