Banner Maritiem!

"Er wordt al 150 jaar onderzoek gedaan naar vermoeiing, maar er zijn nog steeds vragen"

13 april 2026

De maritieme en offshore maakindustrie kan niet zonder wetenschappelijk onderzoek. Tegelijkertijd kan het maritieme onderzoek niet zonder de maakindustrie. De twee zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Marije Deul weet hier alles van. Als scientist bij TNO bevindt zij zich op het snijvlak van de twee.

[Dit artikel verscheen, inclusief achtergrondinformatie, in de laatste editie van het tijdschrift van Maritime & Offshore NL. Dit tijdschrift ook (gratis) ontvangen? Meld je aan.]

 

Marije Deul: “De laatste stap in de levenscyclus van een schip is het ontmantelen van dat schip. Maar hoe degradeert de constructie zich door de jaren heen totdat je op het punt van ontmanteling bent? Dat is de vraag waar ik me mee bezig houd. En dat is ook hoe ik in de hoek van hergebruik uitgekomen ben. Als je onderdelen van een constructie wilt hergebruiken, is de eerste vraag die gesteld wordt: zit er ergens vermoeiingsschade?”

Onzekerheid

Onderzoekers houden zich al lang met deze vraag bezig. “Er wordt al 150 jaar onderzoek gedaan naar vermoeiingsschade. Het is geen nieuw concept. Maar er zijn nog steeds vragen. Veel van die vragen gaan over onzekerheid. Marije: “Als je begint met het bouwen van een schip, dan doe je een aanname over waar en hoe het schip gaat varen. Die aannames zijn gebaseerd op de verwachte eerste functie van het schip. Als vervolgens de route of eigenaar van het schip verandert, wordt het blootgesteld aan andere belastingen. Dit heeft invloed op het verloop van onder andere de vermoeiingsschade.”

“En er zijn ook onderzoeken die laten zien dat een andere kapitein direct invloed heeft op de belasting op een schip. Ook kan blijken dat de constructie in werkelijkheid afwijkt van de tekeningen. Dat zijn aspecten die je vooraf niet goed in kunt schatten. Die onzekerheden maken het lastig om vooraf te bepalen wanneer de schade te veel wordt. Hierdoor is regelgeving vaak aan de veilige kant en worden schepen op dit moment vaak ontworpen voor een levensduur van zo’n 30 jaar.”

De grens over

Deze levensduur is te verlengen, maar dat is niet altijd eenvoudig.

“Eigenlijk is ten opzichte van vaste constructies varen het probleem”, vertelt Marije. Daarmee doelt ze op het landsgrensoverschrijdende aspect van de sector. “Bij een schip is de eerste eigenaar bijna nooit de laatste eigenaar. Er zijn uitzonderingen, maar de meeste schepen worden een aantal keer doorverkocht. Dat betekent vaak ook dat het schip verschillende bestemmingen krijgt. Het schip raakt uit het zicht.”

“Als je de kennis die er is goed weet toe te passen en goed kunt onderbouwen hoe je de constructies veilig en voordelig in een nieuwe context kunt gebruiken, worden bedrijven en mensen vanzelf enthousiaster. Het is een vertrouwenskwestie.”

Hoop voor de toekomst

Op den duur hoopt Marije dat hergebruik in de maritieme sector een breder gedragen onderwerp wordt. “Het komt met name omdat het hele hergebruik in de scheepsbouw nog een vrij nieuw onderwerp is. Andere sectoren zijn al langer bezig met hergebruik.”

Toch geldt dat niet voor alle scheepsontwerpers en -bouwers. “Bedrijven als Allseas en Heerema zijn zelf eigenaar en hebben schepen die al meerdere levensduurverlengingen hebben gehad”, legt Marije uit. “Ook zijn er voorbeelden van schepen waar delen van hergebruikt zijn in nieuwe of andere schepen. Toen werd het alleen nog niet bij dezelfde naam genoemd. Het was de gang van zaken, niet per se ‘hergebruik’.”

Marije hoopt dat in de komende tien jaar een nieuw pad bewandeld kan worden. “Ik hoop dat we snel zover komen dat een oud schip, door hier hergebruik te faciliteren, meer waard blijft in Nederland dan ergens anders. Op dat moment wordt is het er niet alleen een duurzaamheids-stimulans, maar heeft het ook financieel voordeel voor de scheepseigenaren. Want het is heel begrijpelijk dat bedrijven niet de mogelijkheid hebben om vol op hergebruik in te zetten, als ze daar geld door verliezen. Daarnaast zorgt hergebruik ervoor dat we de kostbare grondstoffen uit zo’n schip lokaal opnieuw kunnen inzetten.”

TNO als tussenpersoon

Om die verandering te bereiken is toegepast onderzoek essentieel. Onderzoek kan aantonen dat het hergebruik te vertrouwen is. Veel van het fundamentele onderzoek gebeurt bij universiteiten. TNO positioneert zich tussen de universiteiten en de praktijk om dit onderzoek toegepast te maken, zodat beide groepen het meest aan elkaar hebben. “Wat we willen overbruggen is het verschil in vraag en de theoretische oplossingen die er zijn en bedacht worden. Hiervoor is het belangrijk dat er een open gesprek is. Waar loopt de industrie tegenaan? Maar ook: wat zijn de prioriteiten?”

Marije legt dit uit: “R&D-afdelingen van bedrijven hebben niet altijd de budgetten om veel tijd te spenderen aan innovaties voor de lange termijn. TNO kan daar een ondersteunende rol in vervullen.”

Duurzaamheid, wat is dat?

Veel van de onderzoeken zijn gericht op duurzaamheid. Maar dat is vaak een lastig begrip. Marije: “Het is een begrip dat door ieder bedrijf anders ingevuld kan worden. Maar in de kern is het voor iedereen hetzelfde. Duurzaamheid betekent simpelweg: het overleeft de tijd. Daar is weinig activistisch aan, dat is ook slim ondernemerschap.”