Als lid van het Europees Parlement richt Jeannette Baljeu (VVD) zich op de interne markt, duurzaamheid, transport en industrie. Eerder was zij viceburgemeester en wethouder van Rotterdam (2006-2014) en gedeputeerde van de provincie Zuid-Holland (2017-2024). In deze functies heeft zij de invloed van Europese besluiten op inwoners en bedrijven gezien. In deze functies is zij ook veelvuldig in aanraking gekomen met de maritieme en offshore maakindustrie. We vroegen haar naar haar visie op de European Industrial Maritime Strategy en de rol van de Nederlandse maritieme maakindustrie hierin.
Hieronder een deel van het artikel dat verscheen in Pijler 26.3.
Hoe neemt u uw ervaringen uit het verleden, bijvoorbeeld als wethouder van Rotterdam en als Gedeputeerde van Zuid-Holland, mee in uw werk in het parlement?
"Juist mijn bestuurlijke ervaring helpt mij enorm in het Europees Parlement. Als wethouder van Rotterdam en gedeputeerde van Zuid-Holland heb ik van dichtbij gezien wat onze werven, toeleveranciers en offshorebedrijven iedere dag presteren. Ik heb ook gezien waar zij tegenaan lopen. Niet een gebrek aan ambitie, maar ingewikkelde vergunningstrajecten, bureaucratie en onzekerheid over investeringen houden bedrijven vaak tegen. Daarom zijn dat precies de onderwerpen waar ik mij in Brussel hard voor maak.
In mijn vorige functies heb ik bovendien geleerd dat je grote uitdagingen alleen oplost als overheden, bedrijven en kennisinstellingen samenwerken. Die manier van werken neem ik mee naar Europa. Zo heb ik begin dit jaar een delegatie van mijn liberale fractie Renew Europe meegenomen naar de Rotterdamse haven. Collega's kunnen in Brussel wel over maritieme investeringen stemmen, maar het is veel overtuigender als zij met eigen ogen zien wat er op het spel staat. Die praktijkervaring vertaal ik nu naar Europees beleid. Zo heb ik namens de Europese liberale fractie een plan geschreven over de maritieme maakindustrie en de havenstrategieën. Daarin pleit ik voor precies de aanpak die ik regionaal heb zien werken: meer investeren, minder regeldruk en een sterkere focus op veiligheid."
Europa wil minder afhankelijk worden van andere werelddelen zoals de Verenigde Staten en China. Welke rol moet de Nederlandse maritieme maakindustrie innemen in deze wens volgens u?
"De Nederlandse maritieme maakindustrie speelt daarin een sleutelrol. Het is een strategische sector voor onze economie, onze energievoorziening én onze veiligheid. Negentig procent van onze buitenlandse handel verloopt over zee en ook onze defensie is afhankelijk van schepen die we zelf kunnen bouwen en onderhouden.
Onze kracht zit niet in massa, maar in kwaliteit. Onze bedrijven behoren tot de wereldtop in het bouwen van complexe schepen, zoals baggerschepen, kabelleggers, offshore-installatieschepen en marineschepen. Ook op het gebied van maritieme technologie loopt Europa voorop. Zo wordt ongeveer tachtig procent van de scheepsmotoren wereldwijd in Europa geproduceerd. Die technologische voorsprong maakt ons minder afhankelijk van andere delen van de wereld. Daarnaast mogen we de reparatiewerven niet vergeten. Verliest Europa zijn reparatiecapaciteit, dan verliest het de mogelijkheid om in een crisis zijn eigen vloot varend te houden.
Nederland moet daarom blijven investeren in het hoogwaardige en complexe segment van de maritieme industrie en die kracht verbinden met de grote Europese opgaven op het gebied van defensie, energie en verduurzaming. Strategische autonomie begint uiteindelijk bij een sterke industriële basis. Die basis hebben we in Nederland. Nu is het zaak om die verder uit te bouwen in plaats van productie en kennis langzaam naar Azië te laten weglekken."
Waar ziet u de belangrijkste uitdagingen voor de samenwerking tussen Europese landen om deze strategische autonomie te versterken?
"De grootste uitdaging is dat Europa concurreert op een speelveld dat allang niet meer gelijk is. Chinese werven haalden vorige maand meer dan de helft van alle wereldwijde scheepsbouworders binnen, vaak tegen prijzen waar Europese bedrijven simpelweg niet tegen kunnen concurreren. Als we daar niets tegenover zetten, verliezen we kennis en productiecapaciteit die we later niet zomaar terughalen.
Dat zie je bijvoorbeeld bij de uitrol van offshore wind op de Noordzee. Europa investeert miljarden in de energietransitie, maar gespecialiseerde installatie- en onderhoudsschepen worden nog te vaak bij Aziatische werven besteld. Dat is een gemiste kans.
Tegelijkertijd hebben bedrijven behoefte aan duidelijkheid. Ondernemers investeren niet op basis van een ‘misschien’. Europa moet helder aangeven welke sectoren het wil beschermen en welke instrumenten daarbij horen.
Samenwerking betekent wat mij betreft overigens niet dat ieder land hetzelfde moet doen. Juist niet. Europa is sterk als landen zich kunnen specialiseren in waar zij goed in zijn en die kwaliteiten met elkaar verbinden. Daarnaast moeten we sneller worden. Vergunningen, innovatie en investeringsbeslissingen duren vaak te lang, terwijl snelheid inmiddels zelf een concurrentievoordeel is geworden. Ook zie ik veel waarde in publiek-private samenwerking. Initiatieven zoals het Partnership on Zero-Emission Waterborne Transport laten zien hoe overheden, werven, rederijen en kennisinstellingen samen tot emissievrije schepen komen."

De Europese Commissie geeft meer publieke erkenning aan de maritieme maakindustrie dan eerder, bijvoorbeeld door het als strategisch benoemen van de sector.
Waar liggen volgens u de kansen voor de Nederlandse maritieme maakindustrie binnen Europa?
"De Europese Commissie heeft de maritieme maakindustrie erkend als strategische sector. Dat is een stap vooruit, maar erkenning alleen bouwt geen schepen. Nu moet die status worden vertaald in investeringen, opdrachten en een gelijk speelveld. En juist daar liggen kansen voor Nederland. Zoals ik al zei, zit onze kracht in het hoogwaardige segment van de scheepsbouw.
Een mooi voorbeeld is de bescherming van onderzeese infrastructuur. De incidenten in de Baltische Zee en recent ook op de Noordzee hebben laten zien hoe kwetsbaar onze kabels zijn. Europa zal de komende jaren meer eigen kabelleggers en onderhoudsschepen nodig hebben. Dat is een markt waarin de Nederlandse maritieme sector het verschil kan maken.
Ook verduurzaming biedt enorme kansen. De technologie is er al: van waterstof en methanol tot elektrisch varen. De vraag is niet óf die markt ontstaat, maar wie haar gaat bedienen. Het is niet voor niets dat ook China in zijn vijfjarenplan inzet op deze technologieën.
Daarnaast groeit de vraag vanuit defensie snel. Nederlandse werven beschikken over de kennis om marineschepen te bouwen en onderhouden, maar ook om dual-use-oplossingen te ontwikkelen, die zowel civiel als militair inzetbaar zijn. En uiteindelijk blijft de interne markt onze grootste kans. Voor een exportgerichte sector is de Europese markt, zonder onnodige belemmeringen, uiteindelijk meer waard dan welke subsidie dan ook."
Welke keuzes zouden bedrijven en overheid nu moeten maken om de Nederlandse maritieme maakindustrie succesvol te houden?
"De overheid hoeft ondernemers niet alles uit handen te nemen, maar moet wel de juiste voorwaarden creëren. Dat begint met snellere vergunningen, minder onnodige regeldruk en een aantrekkelijk investeringsklimaat.
Een goed voorbeeld daarvan is de verruiming van de stikstofuitzonderingen voor duurzame energie-infrastructuur, waarvoor de VVD in Europa hard heeft gelobbyd. Niet alleen het elektriciteitsnet, maar ook projecten voor laadinfrastructuur, energieopslag, groene waterstof, groen gas en CO₂-transport kunnen daardoor sneller worden gerealiseerd. Zulke slimme keuzes zorgen ervoor dat projecten daadwerkelijk van de grond komen.
Van bedrijven vraag ik tegelijkertijd om te blijven investeren in innovatie, digitalisering en verduurzaming. De technologie is er en de markt ontwikkelt zich snel. Wie nu durft te investeren, bouwt een voorsprong op. Wie afwacht, loopt het risico die positie kwijt te raken.
Tot slot moeten we durven kiezen waar Nederland echt sterk in is. Onze toekomst ligt in het hoogwaardige en dual-use-segment van de maritieme maakindustrie. Initiatieven zoals het De Witt Toekomstpact in de Drechtsteden, waarin anderhalf tot twee miljard euro wordt geïnvesteerd in innovatie, verduurzaming en dual-use, laten zien wat mogelijk is als we samen optrekken. Juist daar komen concurrentiekracht, veiligheid en verduurzaming samen. Niet als tegenpolen, maar als drie onlosmakelijk met elkaar verbonden ambities die de Nederlandse maritieme sector ook de komende decennia internationaal toonaangevend kunnen houden."